Het divulgatierecht

Het divulgatierecht is het recht een werk bekend te maken: de auteur heeft als enige het recht zijn werk bekend te maken of niet bekend te maken en bepaalt ook de wijze van bekendmaking. De auteur beslist zelf of hij met zijn werk al dan niet in de openbaarheid wil treden. Het divulgatierecht kan slechts één keer worden uitgeoefend ten aanzien van hetzelfde werk . Eens de auteur zijn divulgatierecht heeft uitgeoefend, is dit recht ten aanzien van hetzelfde werk uitgeput.

Dit geldt echter niet ten aanzien van hetzelfde werk in een andere taal . Het lied “La cathédrale” van Jacques Brel was uitgebracht in een Russische versie met toestemming van de erfgenamen van Brel. Dit betekent niet dat men zonder toestemming mag overgaan tot het uitbrengen van de Franse versie van dit lied. Het Franse lied was nog niet bekend gemaakt. Het divulgatierecht ten aanzien van dit werk in de Franse taal was nog niet uitgeput en de erfgenamen hebben zich hiertegen kunnen verzetten.

Het belang en de bijzondere waarborg van het divulgatierecht blijkt ook uit de uitdrukkelijke vermelding in artikel 2 § 2 AW dat niet-bekendgemaakte werken niet vatbaar zijn voor beslag.

Het paterniteitsrecht

Het paterniteitsrecht staat voor het recht op erkenning als auteur: het recht voor de auteur om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren. De auteur kiest zelf om zijn naam op het werk te vermelden, dan wel om een pseudoniem te gebruiken of nog anoniem te blijven.

Voorbeeld 1:

Zaak erfgenamen Magritte tegen Nationale Loterij (Brussel 18 april 1997, AM 1997, 278-282): zonder toestemming te vragen - noch aan de erven, noch aan Sabam - had de Nationale Loterij fragmenten van reproducties van schilderijen van Magritte gebruikt op haar Subito-biljetten. Bij de aanwending van verschillende fragmenten van de reproducties van schilderijen van Magritte had de Nationale Loterij daarenboven nagelaten de naam van Magritte te vermelden. Gevolg: inbreuk paterniteits- en integriteitsrecht en zware geldboete voor de Nationale Loterij.

Voorbeeld 2: Cass. 22 mei 1980: de creatieve bijdrage en het recht op naamsvermelding werd erkend van een Mevrouw Forani voor een borstbeeld van Dante, beeld dat zij samen met Salvator Dalí had gerealiseerd, maar dat door deze laatste aanvankelijk enkel onder zijn naam werd gepresenteerd.

Voorbeeld 3:

EP Jacobs/Blake & Mortimer (Vz. Rb. Brussel 17 oktober 1996): EP Jacobs, maker van de oorspronkelijke stripreeks rond de avonturen van Blake en Mortimer, heeft zijn morele rechten overgedragen aan de Stichting EP Jacobs. De exploitatierechten zijn overgedragen aan de NV Les Editions Black & Mortimer. Naar aanleiding van het verschijnen van het nieuwe album ’de affaire Francis Blake’ vordert de Stichting dat op de kaft van het album niet de naam van EP Jacobs zou worden vermeld, nu de voortzetting van de reeks gebeurt door twee andere auteurs, nl. J. Van Hamme en T. Benoit. De Voorzitter van de Rechtbank wees de vordering in eerste aanleg toe: de kaft van het album vermeldt de naam EP Jacobs, zonder dat deze de auteur is van het nieuwe album. Integendeel, wordt met een commerciële doelstelling, de indruk gegeven dat EP Jacobs de auteur is van dit album. De Voorzitter verbiedt de verdere verspreiding van het album. Verplichting om bij aangepaste editie de naam Jacobs weg te laten.

Het integriteitsrecht

Het integriteitsrecht komt in hoofde van de auteur neer op een recht op eerbied voor zijn werk. De auteur kan zich verzetten tegen elke wijziging van het werk. Zelfs wanneer de auteur afstand heeft gedaan van een bepaalde uitoefening van zijn integriteitsrecht (bv. auteur geeft toelating om de film te onderbreken voor publiciteit), dan nog kan hij zich verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of reputatie kunnen schaden. Het integriteitsrecht beschermt niet alleen de letter, maar ook de geest van een werk. Niet alleen mag er niets aan een werk worden gewijzigd, evenmin mag er iets aan een auteurswerk worden toegevoegd zonder toestemming van de auteur (bv. het kleuren van zwart-wit films).

Voorbeeld 1:

De opvoering van "En attendant Godot" van Samuel Beckett: de testamentuitvoerder van de auteur verzette zich tegen de opvoering van het stuk door vrouwelijke acteurs. Bv. Franse zaak ( Hof van Beroep van Parijs 25 juni 1988) de rechthebbenden van HUSTON tegen de zender La CINQ: deze zaak betrof de inkleuring van de zwart-wit film "Asphalt Jungle". De rechter beschouwde de inkleuring als een denaturatie van het oorspronkelijke werk. De erfgenamen van de Amerikaanse auteur, John Huston vorderden een uitzendverbod van de gekleurde versie op grond van aantasting van het integriteitsrecht.

Voorbeeld 2:

Het uitbrengen van een pornografische versie (genaamd ‘Pommeke’) van de stripverhalen van ‘Jommeke’ is ondermeer een inbreuk op het integriteitsrecht. Op basis van het integriteitsrecht kan men zich verzetten tegen materiële en niet-materiële (contextuele) wijzigingen van het werk. De zaak tegen de Nationale Loterij kan als voorbeeld gegeven worden van zowel een materiële wijziging als van een contextuele wijziging: Als voorbeeld van een materiële wijziging: Door elementen van drie verschillende schilderijen van Magritte te reproduceren, heeft de Nationale Loterij zich niet enkel bezondigd aan een inbreuk op de reproductierechten. Door de verwerking van elementen uit meerdere schilderijen van Magritte op de Subito-biljetten, heeft de Nationale Loterij materiële wijzigingen aangebracht die de integriteit van het werk aantasten. Als voorbeeld van een niet-materiële/contextuele wijziging: Hoewel bedoeld als eerbetoon aan het Belgisch surrealisme, werden de fragmenten gebruikt in het kader van een kansspel (met name de Subito-biljetten). Ook al had de Nationale Loterij op voorhand de toestemming gevraagd aan de rechthebbenden, dan nog zouden deze laatsten de toestemming niet hebben gegeven juist omwille van het gebruik ervan in een kansspel.

De kenmerken van de morele rechten

De morele rechten zijn in principe onvervreemdbaar Globale afstand van de toekomstige uitoefening is nietig. Een welomschreven toestemming voor een afstand van een bepaalde (actuele) uitoefening van één van de morele rechten is daarentegen wel mogelijk. Het onvervreemdbaar karakter van de morele rechten is evenwel niet absoluut. Een bepaalde verzaking aan de morele rechten is mogelijk door de specifieke afstand van de morele rechten. Sinds het in werking treden van de Auteurswet 1994 kan een au¬teur "wet¬te¬lijk" af¬stand doen van de uit¬oe¬fening van de morele rechten, weliswaar onder bepaalde voorwaarden. De wettelijke erkenning van de mogelijkheid voor een auteur om "af¬stand" te doen van de uitoefening van zijn morele rechten, vloeit voort uit de tweede ali¬nea van artikel 1 § 2 AW dat bepaalt dat "de glo¬bale af¬stand van de toe¬kom¬stige uit¬oe¬fe¬ning van dat moreel recht nietig is". Het contract van ghostwriting is het voorbeeld bij uit¬stek waar¬bij een au¬teur af¬stand doet van de uit¬oefening van zijn pater¬ni¬teits¬recht. Bij de uitoefening van de morele rechten zal men in de praktijk ook steeds rekening moeten houden met de gebruiken die gelden in een bepaalde sector. In audiovisuele productiecontracten vindt men bijvoorbeeld dan ook dikwijls volgende clausule terug :

“De morele rechten van de Regisseur zijn uitdrukkelijk voorbehouden. De Regisseur zal zich echter niet verzetten tegen wijzigingen aan de Film omwille van montage en programmanoden evenals tegen wijzigingen die in de audiovisuele sector gebruikelijk zijn geworden, zoals de onderbreking door reclameboodschappen (voor zover deze duidelijk van de Film te onderscheiden zijn).” De morele rechten zijn persoonlijkheidsrechten Vermits de morele rechten zo nauw verbonden zijn aan de persoon van de auteur, komen zij, na overlijden van de auteur, niet terecht in het patrimonium van de erfgenamen. Dit heeft tot gevolg dat de erfgenamen de morele rechten niet in eigen naam kunnen uitoefenen, maar uitsluitend in naam van de overleden auteur. Uitoefening van de morele rechten na overlijden van de auteur: Artikel 2, § 1 van de Auteurswet vermeldt de beschermingsduur van de morele rechten: 70 jaar na dood van de auteur ten voordele van persoon die daartoe is aangewezen of erfgenamen; Artikel 7, § 2 van de Auteurswet stelt expliciet dat de morele rechten, na overlijden van de auteur worden uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij de auteur daartoe een welbepaald persoon heeft aangewezen (ook een Stichting kan worden aangewezen). M.a.w. moet bij het overlijden van de auteur eerst worden nagetrokken of de auteur een persoon of instelling heeft aangeduid, belast met de uitoefening van zijn morele rechten.

Voorbeeld 1:

Hergé, de geestelijke vader van Kuifje. Sinds het overlijden van de geestelijke vader van Kuifje, worden de morele rechten van Hergé uitgeoefend door de "Fondation Hergé".

Voorbeeld 2:

EP Jacobs, de geestelijke vader van Blake and Mortimer. Tijdens zijn leven heeft EP Jacobs zijn morele rechten overgedragen aan de Stichting Jacobs. 8.1.5. Bijzondere bepalingen inzake audiovisuele werken Morele rechten vallen niet onder het vermoeden van overdracht. Dit wordt ook gepreciseerd in de voorbereidende werken: “Het morele recht maakt geen deel uit van de aan de producent overgedragen rechten: het feit dat een van de makers zijn recht op integriteit laat gelden, is niet in tegenspraak met het feit dat hij zijn rechten heeft overge¬dragen”.

Art. 16 AW bepaalt in haar eerste lid dat de final cut - dit is het bepalen van de definitieve voltooide versie - moet worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming door de regisseur én de producent. In feite komt dit neer op een de facto toewijzing van het divulgatierecht aan de hoofdregisseur van het audiovisueel werk, evenals aan de producent. Dit betekent dat met uitzondering van de hoofdregisseur, alle andere co-auteurs van het werk hun divulgatierecht niet kunnen uitoefenen. In het tweede lid van art. 16 AW wordt verwezen naar de morele rechten van de andere co-auteurs. Auteurs van audiovisuele werken (andere dan de regisseur) genieten een verminderde bescherming van hun morele rechten aangezien zij hun morele rechten pas kunnen uitoefenen na de voltooiing van de definitieve versie van het audiovisueel werk. De vraag is of de auteur zich na het maken van de eerste standaardkopij nog kan verzetten tegen inbreuken op zijn moreel recht die dateren van voor de voltooiing van het werk. Kan hij zich bijvoorbeeld nog verzetten tegen de inkleuring van een zwart-wit film of tegen de invoe¬ging van een muziekstuk bij een bepaalde scene waar de desbetreffende dialoogschrijver geen toelating had voor verleend ? Wanneer dit een inbreuk uitmaakt op het integriteitsrecht en het recht op eerbied voor het werk, zal de auteur zich kunnen verzetten tegen wijzigingen die werden aangebracht voor en na de voltooiing van het werk maar hij zal deze rechten pas kunnen uitoefenen na de final cut die werd vastgesteld in gezamenlijk overleg tussen de producent en de regisseur. De uitoefening van de morele rechten van de co-auteurs werden opgeschort tot na de voltooiing van het audiovisueel werk. De co-auteurs kunnen dan pas rechten laten gelden. Illustratie uit de rechtspraak: Vonnis Gaston’s War: Na voltooiing van een audiovisueel werk kunnen de auteurs hun morele rechten ten volle uitoefenen. In de zaak Luc Janssens tegen Era films betreffende de rechten op het scenario van Gaston’s War, kon de scenarist Luc Janssens zijn morele rechten pas doen gelden nadat de voltooiing van de film had plaats gevonden (“final cut”). De feiten van dit vonnis waren de volgende: de scenarist Luc Janssens heeft een scenario geschreven voor audiovisuele realisatie van de oorlogsbelevenissen van de Belgische weerstandsheld Gaston Vandermeerssche. Er wordt een licentie-overeenkomst gesloten tussen de producent (Era films) en de scenarist met betrekking tot de overdracht van de auteursrechten. Zonder toestemming van de auteur heeft de producent het oorspronkelijk scenario van de auteur-scenarist grondig laten herwerken door Robbe de Hert en Fernand Auwera en deze herwerkte versie werd bovendien zonder medeweten van de auteur aangewend voor het bekomen van bijkomende subsidies. De verfilming gebeurde op basis van deze herwerkte versie. Voormelde handelingen vormen zonder meer een inbreuk op het moreel integriteits¬recht van de auteur. De voorzitter van de rechtbank stelt vast dat de auteursrechten van de auteur geschonden zijn door de producent door het oorspronkelijk scenario van de auteur in belangrijke mate te wijzigen en door het herwerkte of afgeleide scenario te reprodu¬ceren, aan derden mee te delen en te verfilmen. De producent wordt veroordeeld tot de staking van het reproduceren van het herwerkte of afgeleide scenario en van de uitbating zolang hij hiertoe geen toestemming heeft verkregen van de auteur en dit onder verbeurte van een dwangsom. De auteur heeft hier in casu zijn morele rechten kunnen uitoefenen na de voltooiing van het werk (verfilming had reeds plaatsgehad) met betrekking tot een schending die plaatsvond voor de voltooiing van het werk.

In dezelfde rubriek

Linken